“Waar is God in de duisternis?”
|
“Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede van Zijn verbolgenheid.” Klaagliederen 3 : 1 |
|
De ouderen kennen wellicht nog het wat in onbruik geraakte woord ‘jeremiëren’. Dat onbekende werkwoord is afgeleid van de profeet Jeremia, die zoveel heeft gehuild en geweend. En daarom heeft dit werkwoord ‘jeremiëren’ de betekenis gekregen van luidkeels klagen, jammeren of weeklagen. Als iemand jeremieert, vraagt zo iemand op een bijna overdreven manier aandacht voor de ellendige situatie waarin hij of zij terecht is gekomen. Is deze tekst uit Klaagliederen 3 ook een overdreven reactie van Jeremia? Waarom heeft hij het over ellende, die hij gezien heeft? Waarom klaagt hij over de roede van Gods verbolgenheid? Heeft God deze wenende profeet écht geslagen? Laten we in deze meditatie wat vragen aan Jeremia stellen. ‘Jeremia’, zo vragen we als eerste, ‘wat is er aan de hand? We luisteren zonder vooroordelen naar uw verhaal’. En dan begint Jeremia te vertellen. Met de tranen op de wangen. Hij vertelt hoe hij op jonge leeftijd door de Heere is geroepen om profeet van de Heere te zijn. Geen priester, zoals zijn vader dat was en zijn priesterlijk voorgeslacht, maar profeet dus. En dan vertelt Jeremia hoe hij tientallen jaren het volk van God heeft gewaarschuwd om de HEERE niet vaarwel te zeggen. ‘Mensen’, zegt Jeremia, ‘dien toch de Heere. Heb Hem lief!’. Maar terugblikkend op die lange periode van preken moet Jeremia zeggen, dat het weinig resultaat heeft gehad. De mensen luisterden nauwelijks naar zijn boodschap. En Gods dreiging met de komende ballingschap, hebben ze niet serieus genomen. ’t Zal wel meevallen. Andere profeten, denk aan Hananja, brachten een hele andere boodschap. Wie geeft ons de garantie dat Jeremia gelijk heeft en Hananja ongelijk? Jeremia heeft de weerstand en het onbegrip gevoeld voor zijn boodschap. Hij preekte, hij waarschuwde, hij dreigde, maar ’t was allemaal tevergeefs. ‘En nu’, zegt Jeremia, ‘zit ik bij de puinhopen van Jeruzalem’. We stellen een andere vraag. ‘Jeremia, wat is er dan gebeurd?’. Jeremia vertelt verder. Over de soldaten uit Babel, die de stad Jeruzalem hebben veroverd. Nóg ziet Jeremia dat vreselijke moment voor zich: hoe de vlammen metershoog omhoogschoten en de huizen en de tempel in een ashoop hebben veranderd. ’t Was vreselijk. ‘En daarom’, zegt Jeremia, ‘ben ik de man die ellende gezien heeft’. Ik heb de roede, de geselroede van de Heere gevoeld. De toorn van God is op mij en op mijn volk neergedaald. ‘Waarom’, zo horen we Jeremia zich vertwijfeld afvragen, ‘waarom heeft het volk zich niet bekeerd? Waarom heeft God Zijn volk verstoten? Waarom?’. Al luisterend kunnen we deze klacht van Jeremia wel begrijpen. Toch? Heeft het zin om nog meer vragen te stellen? De klacht van Jeremia in vers 2 is trefzeker. ‘Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis en niet in het licht.’ Dat is wat! God, mijn God, Hij heeft mij in deze stikdonkere nacht gebracht. Waar is het licht? Waar is Gods vriendelijk aangezicht? Waar is Gods genade? Waarom is er zoveel lijden? Wie herkent zich niet in deze vragen en in deze toestand van Jeremia? ’t Is waar: als je jong bent en alles gaat je voor de wind, je hebt een leuke baan, een goed huwelijk, je geniet van de vakantieperiode, dan staat deze klacht ver bij je situatie vandaan. Maar ’t kan in één keer veranderen. Dat slechte bericht van de dokter zet heel je leven op z’n kop. En die lege plaats door het sterven van uw geliefde man of vrouw, vader of moeder, broer of zus, heeft in uw leven de nodige ellende met zich meegebracht. En waar is Gods licht als de psychische klachten je overstelpen? Waar is God als je worstelt met onzichtbare problemen en zonden? Er is zoveel nood in deze wereld. Er zijn zoveel gebroken harten. Er zijn miljoenen Jeremia’s in deze wereld. Elke dag schreien miljoenen mensen tranen. Deze wereld is een tranendal. Deze wereld ligt in de duisternis. Waar is God in dit alles? De tijd ontbreekt om het vraaggesprek met Jeremia voort te zetten. De ruimte ontbreekt om er een lange meditatie van te maken. En toch, toch komt er in Klaagliederen 3 een einde aan het lied van de ellende. Want wat zegt Jeremia in vers 25? De HEERE is goed voor hen, die Hem verwachten, voor de ziel, die Hem zoekt. Mooi hè! Ontroerend toch? Dat Jeremia, zittend op de puinhopen, toch iets anders over de HEERE zegt. Het is goed, dat men hope, en stil zij op het heil van de Heere. Heil. Dat verwijst naar de Heiland Jezus Christus. Hij hing daar in de duisternis op Golgotha. Van God verlaten. Eenzaam. Verstoten uit Gods ogen. Totdat het licht weer doorbrak. En daarom, om Jezus’ wil, worden zondaren getrokken uit de macht van de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Het licht overwint en overweldigt toch de duisternis. En dan kun je het toch zingen, ziende op Jezus: ‘In de grootste smarten, blijven onze harten, in de Heere gerust’. Zingt u door Gods genade toch mee? Ds. W.J. van den Brink |
|
|
|
|
|
|