Toen ik ongeveer veertien jaar oud was, bezocht ik samen met mijn twee broers het Van Lodenstein College in Amersfoort. Mijn vader werkte toen op de ‘Udemans scholengemeenschap’ in Hoevelaken en haalde ons na schooltijd op bij de ingang van de school. Meestal werden we opgehaald rond het afgesproken tijdstip, maar soms duurde het langer voordat mijn vader ons kwam ophalen. Een gesprek met een collega of wat meer oponthoud onderweg van Hoevelaken naar Amersfoort konden leiden tot vertraging. Als dat wachten langer duurde, nam de onrust in mijn hart toe. Zou er iets ernstigs met mijn vader gebeurd zijn? Zal mijn vader ons niet vergeten op te halen?
Wellicht herkent u dergelijke gedachten. Je voelt iets van angst, dat je verlaten wordt door je vader en moeder. Dat ze er niet meer zijn. Als je een goede band mag hebben met je vader en moeder, dan kun je ze niet missen, hoe oud ze ook zijn. Je houdt zielsveel van hen. Je voelt de bloedband en als kind heb je veel van hen (ook qua gedrag en eigenschappen) ontvangen.
In Psalm 27 zegt David, dat zijn vader en zijn moeder hem verlaten hebben. Ze hebben hem in de steek gelaten, zo mag je het ook vertalen. Ze zijn er niet meer. Waarschijnlijk zijn z’n vader Isaï en zijn voor ons naamloze moeder gestorven. David, de jongste van de acht zonen, heeft zijn ouders het minst lang gekend. En toch weet David, dat hij een biddende vader en moeder heeft gehad. Al voor mijn geboorte, zegt David in Psalm 22:11, hebben mijn vader en moeder mij aan de HEERE toevertrouwd. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van de buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
David mocht dus opgroeien in een godvrezend gezin en zorgde in de velden van Bethlehem voor de schapen van zijn vader. David heeft dat gedaan, tot op het moment dat hij moest vluchten voor koning Saul. Davids leven werd voortdurend bedreigd. En zo is David, samen met vierhonderd mannen, gaan schuilen in de spelonk van Adullam. Ondertussen maakt David zich grote zorgen over het lot van zijn ouders. Zal koning Saul, nu hij David niet gevangen kan nemen, zijn ouders oppakken en wellicht vermoorden? De gedachte alleen al maakt David zeer bezorgd.
Om te voorkomen dat zijn lieve ouders omgebracht zullen worden, vlucht hij naar de stad Mizpa, in het gebied van Moab. En wat doet David dan? Hij vraagt aan de koning van de Moabieten of zijn ouders ook in Mizpa mogen gaan wonen. En dat mag. Zo verhuizen de vader en moeder van David op hun oude dag naar het buitenlandse Moab en blijven ze bij hun jongste zoon wonen, totdat hij weer verder moet vluchten. Enkele jaren later maakt David deze 27e Psalm.
Inmiddels zijn z’n ouders er niet meer. Met weemoed en verdriet denkt hij terug aan zijn godzalige ouders, die zoveel voor hem betekend hebben. Mogelijk beseft hij nu écht, hoeveel invloed zijn vader en moeder gehad hebben op zijn leven. Hij voelt hun lege plaats. Het ouderlijk huis is weggevallen. En zo brengt hij al deze gevoelens van gemis en verdriet bij de HEERE. Hij brengt zijn tranen bij de levende God.
‘HEERE’, zegt David, ‘U weet dat ik geen vader en moeder meer heb. Ik kan hen niet meer om raad en advies vragen. Zij kunnen niet meer voor mij bidden. O HEERE, daarom heb ik U nog meer nodig!’ En David weet het: de HEERE zal mij aannemen! Als vader en moeder mij verlaten hebben, haalt de HEERE mij in huis, zegt een andere vertaling. Als het ouderlijke huis er niet meer is, dan blijft het huis van de HEERE over.
Als de aardse vader er niet meer is, blijft de hemelse Vader over. De Vader, Zoon en Heilige Geest, Die zorgen voor al Gods kinderen. De HEERE neemt al Zijn kinderen liefdevol aan. In het huis van deze Vader, zegt Jezus, zijn veel woningen. Er is nog plaats (Luk. 14:22). Zo nodigt de HEERE zondaren, om bij Hem te schuilen. De HEERE verzamelt zondaren, die door Jezus Christus tot God gaan en geeft hen een eeuwig thuis.
Mag u, door het geloof, instemmen met deze belijdenis van David?
Ds. W.J. van den Brink
Hersteld Hervormde Gemeente IJsselstein