• " Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels. " Genesis 28:17b

Meer over Home

Home

 

Bijbel

Meditatie

‘Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen’. Mattheüs 15:26

Jaren terug was ik eens bij iemand op pastoraal bezoek. De mevrouw had het erover dat ‘zij’ zo lief was, ‘zij’ groeide zo goed en ‘zij’ was eigenlijk nooit ziek. Het duurde even voor ik doorhad dat ze het niet over haar kleindochter had, maar over haar hond. Voor sommigen mensen betekent een hond heel veel. Het is een aanhankelijk dier, dat trouw is en veel liefde kan geven. Mooi om te zien hoe mens en dier aan elkaar gehecht kunnen zijn.

In de Bijbel komen ook honden voor. We moeten dan echter niet denken aan onze ‘huishond’. Als het in de Bijbel over een hond gaat, gaat het meestal over de prairiehond. Het zijn dieren met een tamelijke spitse snuit, een vaal rode vacht en een vrij lange staart. Overdag houden ze zich schuil, maar ’s avonds en ’s nachts komen ze in troepen bijeen en doorkruisen de straten. Met hun gehuil houden ze de bewoners vaak uit hun slaap (Ps. 59 : 7 en 15-16). Deze honden konden ook gevaarlijk zijn voor mensen (Ps. 22 : 17 en 21). Net als bij ons werd het woord hond ook in die tijd als scheldwoord gebruikt. De heidenen worden verschillende keren met honden vergeleken, en dat is niet positief bedoeld.

De Heere Jezus maakt Zelf van dit beeld gebruikt als Hij op – zo lijkt het – vrij onvriendelijke wijze de Kananese vrouw afwijst, die bij Jezus komt en om hulp vraagt. Jezus zegt: ‘Ik ben gekomen voor de verloren schapen van het huis van Israël en niet voor heidenen. Het hoort toch niet om het brood van de kinderen te nemen en de honden voor te werpen?’ De vrouw moet leren dat ze buiten de zaligheid staat en geen aanspraak kan maken op de hulp van de Heere Jezus. De omringende Joden zullen vast hevig geknikt hebben: ‘inderdaad Jezus heeft het maar eens even goed tegen haar gezegd’. 

Het opvallende is – en Jezus wist dit natuurlijk – dat de vrouw in de woorden van Jezus geen afwijzing hoort, maar juist een nodiging. ‘ja, Heere’, roept ze vol vreugde, ‘ik ben maar als een hond die geen rechten heeft, maar ook een hondje mag toch eten van de kruimels van de tafel. En ik weet, één kruimel van Uw genade is voor mij genoeg’.

Het schaamrood vliegt alle Joden naar de kaken. Zij die zoveel genade van God hebben ontvangen, en bij wijze van spreken bij Jezus aan tafel zitten, hebben geen behoefte aan het Levende Brood dat Hij heeft. En deze heidense vrouw klampt zich vast aan het kleinste sprietje hoop dat Jezus geeft. Ook wij zijn rijk gezegend, als kinderen van Gods verbond. We mogen aan Zijn tafel zitten en eten. Doen we dat ook, of hebben we er geen behoefte aan? We kunnen veel leren van deze vrouw.

Dan openbaart de Heere Jezus Zichzelf in hoe Hij echt is. Hij prijst haar geloof en verhoort haar smeekbede. Soms kan het even lijken alsof Jezus ons als zondaar afwijst, maar dat doet Hij alleen om ons wat te leren. Ook vandaag is Psalm 86 vers 3 waar: ‘Wie U aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot’. Wie u ook bent, zelfs al bent u een hond.   

Ds. G.K. Terreehorst

  • © hersteld hervormde kerk 2019